Wat is dat nou? Maar voordat mijn blik het voorwerp heeft gevonden, weet ik het al. Een eikel. Elk jaar overkomt het me weer. Maar toch schrik ik me rot van zo’n eikel op mijn kop. De herfst sluipt naar zijn einde. Het laatste blad van de lijsterbes dwarrelt naar beneden.
Bij herfst horen paddenstoelen. In mijn tuin is het zo dat de mooiste exemplaren midden in het gazon groeien. Het is dan een hele toer om er zo omheen te maaien dat de paddenstoel behouden blijft. De namen blijven boeien. Satansboleet, eekhoorntjesbrood. Patronen van seizoenen herhalen zich, maar vervelen nooit.
Au dus. Door de eikel ben ik weer bij de les. Ik kijk om me heen en zie tussen het geboomte een vrouw op haar hurken zitten. Om niet de indruk te wekken dat ik gluur, wil ik snel doorlopen.
‘Wilt u even kijken?’, zegt ze lachend. ‘Moet u es zien, het is een prachtexemplaar’. Ik kniel naast de vrouw die de onderkant van de paddenstoel bekijkt met een spiegeltje. Ik kijk mee: plaatjes fijn, knolvoet, groene glibberige hoed. Lieflijk, mooi. ‘Een groene knolamaniet…’, zegt ze triomfantelijk, ‘…de giftigste paddenstoel die er is. De Romeinen gebruikten zijn gif al om rivalen uit de weg te ruimen’.
‘Rare jongens die Romeinen’, mompel ik.
‘De ellende is’, vervolgt ze, ‘dat de witte variant van deze zwam erg lijkt op de champignon. Uitkijken dus met het eten van paddenstoelen’. Voorlopig zal ik me aan haar advies houden, denk ik, als ik doorloop op mijn herfstwandeling.
Hoog boven me hoor ik het eerste gegak van trekkende ganzen. Ja hoor, het V-patroon is goed te zien. Uitpuffend in een paviljoen vang ik een flard op van een gesprek tussen twee vrouwen naast mij. ‘Steeds als de herfst komt met die kou en regen wil ik weg. Op naar de zon’.
‘Je bent een echte trekvogel’, antwoordt haar gezellin.
Zelf ben ik een echte standvogel. De herfst wil ik niet missen.




