Hoge Raad vindt loyaliteitsdividend geoorloofd

Grote, complexe reorganisaties. Ze zorgen voor veel stress bij personeel, en ook bij de ondernemingsraad. Want die moet vaak snel advies uitbrengen. Hoe zorg je ervoor dat je toch grip op de zaak houdt?

<P><B>Feiten</B><br> DSM NV wilde een extra premie (dividend) toekennen aan aandeelhouders die bereid zijn langere tijd hun aandelen in DSM aan te houden. Aandelen die meer dan drie jaar worden aangehouden door dezelfde aandeelhouder komen in aanmerking voor een loyaliteitsdividendbonus. Hiervoor dienden de statuten van DSM aangepast te worden. Een Amerikaanse aandeelhouder was het hier niet mee eens en heeft een procedure bij de Ondernemingskamer aangespannen. </P> <P><B>Ondernemingskamer</B><br> De Ondernemingskamer is van mening dat invoering van een loyaliteitsdividend, zoals dit DSM voor ogen stond, in strijd is met art. 2:92 lid 1 BW. De Ondernemingskamer is van mening dat deze bepaling inhoudt dat aan houders van dezelfde soort aandelen gelijke rechten moeten worden toegekend. Het toekennen van een loyaliteitsdividend is daarom in strijd met een dwingend regel van het vennootschapsrecht. In kort geding verbiedt de Ondernemingskamer DSM het voorstel tot invoering van zo’n dividend op de aandeelhoudersvergadering van 28 maart 2007 in stemming te brengen.<br> DSM heeft geen cassatie bij de Hoge Raad aangetekend. De procureur-generaal bij de Hoge Raad was van mening dat de Ondernemingskamer in deze beschikking de wet verkeerd uitlegt en heeft de zaak aan de Hoge Raad voorgelegd. </P> <P><B>Hoge Raad</B><br> De Hoge Raad acht het cassatieberoep gegrond. Art. 2:92 lid 1 BW verzet zich niet tegen een regeling in de statuten waarbij aan geregistreerde aandeelhouders onder bepaalde voorwaarden een loyaliteitsdividend wordt toegekend. Er dient alleen voor gewaakt te worden dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. Dat houdt in dat alle houders van een zelfde soort aandelen voor dit loyaliteitsdividend in aanmerking moeten kunnen komen, als ze aan de gestelde voorwaarden voldoen.<br> Tevens geeft de Hoge Raad aan dat de Ondernemingskamer als kort gedingrechter in het kader van het enquêterecht alleen voorlopige voorzieningen mag opleggen als er in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan. </P> <P><B>Commentaar</B><br> Deze beslissing van de Hoge Raad is om twee redenen van groot belang voor het ondernemingsrecht. Allereerst omdat de Hoge Raad toestaat dat een beursgenoteerde vennootschap als DSM een sympathiek instrument ontwikkelt om aandeelhouders langer aan zich te binden. Als je langer aandeelhouder blijft, krijg je meer dividend. Een positieve prikkel voor aandeelhouders om zich langer aan de onderneming te binden. Het tegenovergestelde van het ’take the money and run’ gedrag dat sommige hedgefondsen typeert. <br> Ten tweede wordt de bevoegdheid van de Ondernemingskamer om in kort geding voorzieningen op te leggen, beperkt uitgelegd. Het enquêterecht is er op gericht dat wanneer er twijfel is aan de juistheid van het gevoerde beleid, er een onderzoek (enquête) plaats kan vinden. Als uit dat onderzoek blijkt dat er sprake is van wanbeleid, kan de Ondernemingskamer in een tweede fase van de enquêteprocedure vergaande voorzieningen opleggen. Soms is het echter nodig dat er al in kort geding een voorziening door de rechter wordt getroffen, omdat de uitkomsten van het onderzoek niet afgewacht kunnen worden. De Hoge Raad geeft aan, dat in kort geding alleen voorzieningen mogen worden getroffen als dat nodig is omdat anders de toestand van de vennootschap in gevaar komt of het onderzoek geschaad zou kunnen worden. In een zaak als deze komt de onderneming niet in gevaar als besloten zou worden tot het statutair mogelijk maken dat er een loyaliteitsdividend wordt uitgekeerd. Daarover kan in een normale procedure achteraf door de rechter bekeken worden of dat al dan niet in strijd is met de wet. De normen die de Hoge Raad formuleert beperken de mogelijkheden voor (activistische) aandeelhouders in de toekomst om via een kort geding bij de Ondernemingskamer de besluitvorming binnen vennootschap te beïnvloeden. </P> <P>HR, 14 december 2007, LJN BB 3523 (DSM NV)</P> <P>Auteur: Loe Sprengers</P>

Lees meer over

Onderwerpen aanpassen

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.